essay

Door: Erica van Dooren

Splinter Chabot wordt gelezen als schrijver, maar ook als publieke figuur. Die twee zijn moeilijk van elkaar los te maken. Voor veel lezers vormt juist die zichtbaarheid een deel van de aantrekkingskracht. Ze kennen de stem al voordat ze aan het boek beginnen.

Na het succes van Confettiregen kiest Chabot in ‘Twee prinsen’ opnieuw voor een toegankelijke vertelvorm rond verlangen, identiteit en liefde. Het is een boek dat de lezer uitnodigt binnen te komen. De emoties zijn herkenbaar, de personages benaderbaar, de bedoelingen helder.

Tijdens het lezen merkte ik dat ik bleef nadenken over een andere vraag. Niet zozeer wat het verhaal vertelde, maar hoe het vertelde. Want dezelfde thema's kom je overal in de literatuur tegen. Verlangen, schaamte, liefde, afwijzing, het zoeken naar jezelf. Toch voelt niet iedere schrijver hetzelfde.

Wanneer ik James Baldwin lees, of Edmund White, Philippe Besson of E.M. Forster, gebeurt er vaak iets anders. Wat wordt verteld, krijgt een vorm die schuurt, vertraagt of zich gedeeltelijk onttrekt aan de lezer. Betekenis ontstaat niet alleen in wat er staat, maar ook in wat achterwege blijft.

Ook dichter bij huis zie je dat verschil. In De geschiedenis van mijn seksualiteit schrijft Tobi Lakmaker met humor en lichtheid zonder de onderliggende spanning kwijt te raken. In Charlie Dark van Gaby den Held krijgen verlangen en identiteit iets vervreemdends. Scènes verschuiven, worden ongrijpbaar, laten ruimte voor interpretatie. Als lezer moet je zelf verbanden leggen.

Bij ‘Twee prinsen’ koos Chabot voor een andere benadering. De taal volgt het gevoel nauwgezet en blijft dicht bij de belevingswereld van de personages. Daardoor is het boek toegankelijk, maar juist daardoor verlangde ik soms naar meer weerstand. Naar een moment waarop de tekst niet alleen zou laten zien wat een personage voelt, maar mij als lezer ook even uit balans zou brengen.

Voor mij zit het verschil niet in het onderwerp, maar in wat een schrijver ervan maakt. Sommige boeken vertellen een verhaal. Andere boeken veranderen dat verhaal onderweg in iets groters, vreemders of ongemakkelijkers. Daar ontstaat een spanning die niet direct wordt ingevuld.

Misschien is dat ook wat ik als lezer zoek: ruimte voor wat niet wordt gezegd.

Dat is geen kwestie van beter of slechter. Het zegt vooral iets over verschillende verwachtingen van literatuur. De ene lezer zoekt herkenning. De andere zoekt ontregeling.

Misschien zoek ik zelf steeds vaker naar dat laatste. Naar boeken die me niet alleen laten meekijken in het leven van een personage, maar me ook dwingen anders te kijken. Naar teksten die iets achterhouden, zodat ik als lezer zelf moet bewegen.

Want juist daar begint voor mij vaak literatuur. Niet in wat wordt verteld, maar in wat zich onttrekt. In de spanning die blijft hangen nadat het boek dicht is.