village1

Door: Willem van Altena. Foto: Village People in de zeventiger jaren. Glenn Hughes, rechts in het leer.

Vaste prik in de Homo 100: de discostamper Y.M.C.A. van Village People, een wereldhit die vooral bekend is om het iconische letterdansje. Maar voor Mario de Laat (75) is de groep veel meer dan een nostalgisch disco-fenomeen, maar een flink hoofdstuk uit zijn levensverhaal. Hij was jarenlang de spil van de internationale fanclub, reisde met de groep mee, werd door de band als ‘the seventh member’ gezien, en werd de geliefde en vertrouweling van Glenn Hughes - de iconische leerman met de imposante snor. "Glenn zei altijd: 'Mario, you have to set the record straight.'"

Met hits als Y.M.C.A., Macho Man, In the Navy en Go West werd Village People eind jaren zeventig een wereldwijd popfenomeen. Maar achter de verkleedpartij van politieman, cowboy, soldaat, indiaan, bouwvakker en leerman zat iets dat eind jaren ’70 nog haast onzichtbaar was: homo-erotiek, camp en het recht om jezelf te zijn.

Voor veel queer mensen was disco van meet af aan veel meer dan dansmuziek. De discotheken –eerst in New York- waren plekken waar zwarte, Latino-, queer- en transgemeenschappen elkaar troffen en een eigen vrijheid vormgaven. Pas daarna werd disco mainstream - en volgde de tegenreactie. Maar nu, ruim 50 jaar na dato, is disco niet meer weg te denken, denk alleen al aan Madonna die met Confessions II haar tweede succesvolle bezoekje aan de disco aflegt. "Disco heeft voor heel veel jonge mannen en vrouwen de weg geplaveid naar vrijheid," zegt Mario de Laat

Voor hem, opgegroeid in het katholieke Brabant, was disco een openbaring. Begin jaren zeventig ging hij met zijn lesbische vriendin Henny naar Amsterdam: eerst naar het COC, later naar de Odeonkelder aan de Prinsengracht. "Daar ging een wereld voor ons open. Je kon jezelf helemaal zijn. Niemand bekritiseerde je." Hij was al bijna dertig toen hij die vrijheid voor het eerst zo expliciet beleefde. "Dat gaf zo'n enorm bevrijdend gevoel. Je kon je uiten zoals je wilde."

village2

Van Motown naar Village People. Foto: Mario de Laat, dank aan Nina Granat

Voor De Laat begon de liefde voor muziek niet met disco, maar met Motown. “Mijn eerste single, op mijn vijftiende, was van The Supremes. Daarna volgden Martha and the Vandellas, Marvin Gaye, Stevie Wonder, The Marvelettes en Smokey Robinson. Ik werd gepakt door het ritme, maar ook door de teksten. Het ging heel vaak over liefdesleed." Die combinatie van opgewekte muziek en weemoedige teksten spreekt hem nog altijd aan. "Dat resoneert met mijn leven en ervaringen. En dat voelen veel homomannen, dat contrast. Het is niet uit te leggen, je moet het voelen."

Via de Phillysound, the Three Degrees, the Trammps- kwam Mario bij de vroege disco terecht. In Club Pierre in Eindhoven hoorde hij soul, Motown en een nieuw soort dansmuziek die iets van al die muziekstromen mee leek te pikken. Via discoband The Ritchie Family kwam De Laat op het spoor van de Franse producers Jacques Morali en Henri Belolo. En die hadden ook een band in hun stal genaamd Village People. Toen Mario de eerste lp van Village People zag, met nummers als 'San Francisco' en 'Hollywood', was hij meteen verkocht. "De songs waren georiënteerd op het homoseksuele leven: gay life in San Francisco, Hollywood en met name New York. Dat sprak mij enorm aan. De beat, de tekst en de nauwelijks verborgen homo-erotiek."

Het zou tot 1979 duren voordat Village People wereldwijd doorbrak. Voor het tweede album, Cruising, hadden Morali en Belolo besloten om audities te houden voor zes dansers die elk een gay stereotype vertegenwoordigden: cowboy, bouwvakker, soldaat, en leerman. Met Y.M.C.A. scoorde het zestal een wereldhit.

Oprichter van Nederlandse fanclub Dutch Friends of Village People, 1979

Mario de Laat werd niet alleen fan, maar richtte in 1979 de Nederlandse fanclub Dutch Friends of Village People op. Hij produceerde daar nieuwsbrieven voor, gestencild op vier A4'tjes. Hij vroeg platenmaatschappij Phonogram om toestemming en schreef vervolgens naar het management in New York. Het bleef niet bij een hobby. De Laat kreeg officiële erkenning, stuurde zijn nieuwsbrief iedere maand naar de Verenigde Staten en bouwde de fanclub internationaal uit.

In 1980 nam hij zijn nieuwsbrieven en acht dikke plakboeken mee naar New York. Via de pr-afdeling werd hij voorgesteld aan Morali en Belolo. Kort daarna bezocht hij de studio waar Can't Stop the Music werd opgenomen. Daar ontmoette hij de groepsleden, onder wie leatherman Glenn Hughes, voor het eerst.

"Ik was helemaal bleu," zegt hij. Na de studio volgde een diner in een Thais restaurant. "Op de menukaart stonden geen prijzen, dus ik dacht: dat moet een heel duur restaurant zijn." Glenn stelde hem op zijn gemak. "Hij heeft me een beetje geleid in die wereld, tot aan zijn dood. In het begin was hij heel erg mijn mentor."

De fanclub groeide uit tot het blad People Power, dat De Laat tot 1996 maakte. Hij reisde mee naar optredens in Europa en de Verenigde Staten, filmde concerten en werd een vertrouwd gezicht in de entourage. De bandleden zagen zijn betekenis even duidelijk als hijzelf die aanvankelijk onderschatte.

Een platina-exemplaar van Live and Sleazy, dat hij tijdens een Amerikaanse tournee kreeg, is daarvan het tastbare bewijs. "Ze zeiden: 'Nou, dit is voor het zevende lid van Village People, weet je wel.' Ik zei: 'Maar dan moet ik het wel heel graag in writing zien.' Dat hebben ze nog gedaan ook. Ze hebben er een briefje bij geschreven: 'For the seventh member.'"

De Laat relativeert die accolade direct. "Naar mijn gevoel deed ik niet zo heel veel. Maar voor hen dus wel." In werkelijkheid regelde hij veel: informatie over hotels en optredens, materiaal voor de fanclub, contact met management en platenmaatschappijen. "Ik deed het gewoon. Misschien was het devotie. Het ging vanzelf."

village3

Glenn, de man achter het leer

Glenn Hughes had een van de meest herkenbare personages in de popgeschiedenis, maar volgens De Laat was die verschijning geen marketingtruc van een stylist. Hughes werkte als tolheffer bij een tunnel toen collega's hem aanmoedigden auditie te doen. Nadat hij was aangenomen, gaven de producers hem geld om zijn rol vorm te geven.

"Hij ging niet met een stylist naar een dure winkel. Hij ging naar een winkel in de Village en kocht zelf zijn leren broek, chaps, leren vest en pet." Zo creëerde Hughes, zegt De Laat, zijn eigen imago. "Hij had geen voorbeeld. Tom of Finland ontdekte hij pas later. Hij was puur natuur." De iconische schuin gedragen pet hoorde daar nadrukkelijk bij. "Veel mannen zetten zo'n pet recht, of laag over hun ogen. Glenn deed dat juist niet." Ook zijn idee van mannelijkheid was eigenzinnig. "Hij vond: als je een macho man bent, moet je júist vriendelijk zijn. Je hoeft niet altijd boos te doen."

Veel van Hughes' eerste leren kledingstukken belandden later bij De Laat thuis: zijn eerste vest, chaps, laarzen en polsbandjes. Hughes gaf ze hem bij leven, omdat hij zag dat De Laat zelf zijn identiteit in de leerwereld verkende. "Hij gaf ze met de gedachte dat ik ze zou dragen. Dat vond ik toch te ver gaan; ik kocht mijn eigen spullen. Maar zijn iconische outfits heb ik wel in huis."

In De Laats woning vormen al die spullen, naast platen, foto's, brieven en promotiemateriaal, een klein disco- en Village People-museum. Maar de verzameling vertelt vooral een persoonlijk verhaal: dat van een fan die een vriend werd, en van een vriendschap die uitgroeide tot liefde.

village4

Verzorgd en verzorgd worden

De relatie tussen De Laat en Hughes werd hechter na een zwaar ongeluk van De Laat in 1994. Hij brak vijf ruggenwervels, lag lange tijd in het ziekenhuis en kreeg te horen dat hij mogelijk niet meer zou kunnen lopen. "Ik had de dood in de ogen gezien en moest op een rij zetten wat ik wel en vooral niet meer wilde." Hughes bleef contact houden en nodigde hem uit om in New York te herstellen. De Laat reageerde aanvankelijk afhoudend: "Ik zei: 'Je lult uit je nek, want ik kan helemaal niks. Ik kan amper met jou een gesprek voeren laat staan een koffer tillen.'" Toch ging hij. Drie geplande weken werden drie maanden.

"Vanaf het moment dat ik in New York aankwam, heeft Glenn mij verzorgd. Dat bleek een helende factor te zijn." De Laat knapte wonderwel op en pendelde de jaren daarna tussen Amsterdam en New York. Toen Hughes ziek werd, draaiden de rollen om. "Je zwakheid kan je kracht worden: hij verzorgde mij, zodat ik mezelf terug kon vinden, en later zorgde ik voor hem. Hij was mijn vertrouweling en ik was dat voor hem."

Achter de besnorde leerman zag De Laat een andere Glenn. "Dat imago van de stoere leerman vervaagde. Hij was voor alles een zachtaardige man, met de neiging om voor iedereen te zorgen. Ook voor fans maakte Hughes tijd. Hij beantwoordde iedere brief en kaart zelf - duizenden per jaar - en voegde bij brieven van leermannen vaak een gesigneerde foto. "Hij gebruikte nooit een handtekeningstempel: alles ging met de hand." Soms bezocht hij op reis fans die langs zijn route woonden. Die mensen waren natuurlijk overweldigd, maar voor Glenn hoorde dat bij zijn leven als artiest." Hughes deed ook veel aan liefdadigheid, in stilte. Hij steunde Gay Men's Health Crisis in New York financieel en liep mee in de eerste Pride Walks, volledig in leer. "Glenn heeft echt zijn nek uitgestoken en zich enorm ingezet voor de gay community." Ook daarin was hij voor jonge homomannen een baken: niet door stoerheid, maar door zichtbaar, zorgzaam en benaderbaar te zijn.

"Set the record straight"

Hughes overleed ruim een kwart eeuw geleden, op 4 maart 2001. Kort daarvoor belde hij De Laat vanuit New York. "Hij zei: 'Mario, ik ga dood.' Ik wist niet wat ik moest zeggen. Toen zei hij: 'Ik heb altijd zo heel veel van jou gehouden.' Ik zei: 'Dat weet ik. Ik ook van jou.' Dat waren de laatste woorden die hij tegen mij sprak." Twee uur later belde zijn vader dat Glenn was overleden.

De Laat reisde met zijn partner naar New York voor de uitvaart. “Hij werd in vol ornaat opgebaard, hij leek wel een pop. Ik kuste zijn voorhoofd en beloofde Glenn dat ik er alles aan zou doen om de ware Glenn aan de wereld te laten zien.” Glenn Hughes had voor zijn dood nog Broadway-shows voor hem geboekt waarvan hij vond dat Mario ze móest zien; die bezocht hij alsnog. Het paste bij een kant van Hughes die weinig mensen kennen. "Hij zat wel in Village People, maar zijn voorliefde ging uit naar bigbandmuziek en het American Songbook. De musicalwereld was zijn echte voorliefde. Ik heb daar prachtige opnames van.”

De Laat werkt nu aan memoires en aan een boek met de circa 120 pagina's tellende, grotendeels handgeschreven correspondentie van Hughes. Een titel is er al: ‘My life with and without Gkenn Hughes’. Daarin gaat het over diens carrière, liefdesleven, frustraties en ups en downs. In diens laatste jaren werkte De Laat ook mee aan een autobiografie van Hughes. "Meestal zat ik op de rand van zijn bed en schreef ik alles op. Hij zei op het laatst vaak: 'Mario, you have to set the record straight.' Hij voelde zich ergens toch verkeerd begrepen en in een hokje geduwd. Ik wil hem als mens zichtbaar maken, niet als karikatuur. Glenn de performer, de mentor, de geliefde, de activist en de man die zijn fans persoonlijk antwoordde. Hij was zo veel meer dan die besnorde leerman," zegt De Laat. "Hij deed veel goeds in stilte en schreeuwde dat nooit van de daken. Maar ik wil laten zien dat hij vooral een goede kerel was."